Kort portret van de langoustine

De biologie van de langoustine is ingewikkeld. Ze maken holletjes in de modder waar meestal 1 volwassen kreeft in zit die territoriaal gedrag vertoont om zijn hol te beschermen. De zeebodem is lang niet overal geschikt om deze holletjes te maken. Ze moet uit ten minste 20 % slib en klei bestaan. Het hangt tevens af van de stevigheid van de bodem hoe hoog de dichtheid van de holletjes is. Doordat niet alle bodem geschikt is voor de holletjes en ze maar heel weinig rondtrekken, bestaat de populatiestructuur uit meerdere bestanden, die allemaal hun eigen dynamiek hebben. Zo verschilt het per gebied of de kreeften 1 of 2 keer per jaar een piek hebben in de hoeveelheid eieren die ze leggen, hoe groot de kreeften worden, hoe groot de dichtheid is en of ze ’s nachts of overdag vooral actief zijn. Voor de wetenschap heet hij “Nephrops Norvegicus”. “Noorse kreeft” is de officiële Nederlandse naam, in de volksmond spreekt men over langoustines. In Engeland spreekt men van “Norway lobster”, in Ierland van “Dublin bay prawn”, in Spanje van “Cigala”.

Voedsel en predatoren

Noorse kreeften eten vooral dieren die zich op of in de bodem bevinden, zowel dood als levend. Het dieet van de kreeften is gevarieerd en bestaat uit vele soorten invertebraten, wormen, kreeftachtigen, weekdieren en stekelhuidigen, maar ook vissen worden gegeten. De belangrijkste predatoren van langoustines zijn vissen en dan vooral kabeljauwen, hondshaaien en stekelroggen. Wetenschappers vermoeden dat een mogelijke toename van het kabeljauwbestand een negatief effect zou kunnen hebben op de langoustines.

Verspreiding

Langoustines komen voor in het Noord-Oosten van de Atlantische Oceaan, in de Noordzee, Middellandse Zee en in de Adriatische Zee. In het Zuiden komen ze voor tot Marokko en in het noorden tot aan Ijsland en Noord Noorwegen. Ze komen ook voor in de Middellandse Zee, maar daar zijn ze minder algemeen. In de Zwarte en Baltische Zee komen ze niet voor.

Levenscyclus

De levenscyclus van de langoustines verschilt per geografisch gebied. De groei, paaitijd, ei-periode, het uitkomen van de eieren, jaarlijkse of tweejaarlijkse eilegperiode verschillen hierdoor sterk en hangen af van het lokale bestand. De langoustines in verschillende gebieden groeien bijvoorbeeld met een verschillende snelheid, afhankelijk van de dichtheid en van het sediment type van de bodem. Ze komen vooral voor op modderige bodems, maar wanneer deze relatief zacht is, is de dichtheid van de langoustines lager. Op deze plekken groeien de dieren echter sneller en bereiken een grotere maximale grootte. Wanneer het sediment steviger is met meer zanddeeltjes, is de dichtheid van de kreeften veel hoger, maar groeien de kreeften langzamer en worden minder groot. Het is niet met zekerheid te zeggen waardoor deze verschillen komen. Waarschijnlijk heeft het te maken met dat een iets stevigere bodem geschikter is voor de holletjes wat voor een grotere dichtheid zorgt. Deze grotere dichtheid zou echter voor meer concurrentie voor voedsel zorgen, waardoor de kreeften minder groot worden. Over het algemeen wordt aangenomen dat vrouwtjes het volwassen stadium bereiken bij een lengte van de carapax (het “schild) tussen de 20 en 23 mm, bij een leeftijd van ongeveer 3 jaar. Mannetjes worden volwassen bij een lengte van ongeveer 26 mm. Langoustines verschalen regelmatig om te groeien en hierbij kruipen ze geheel uit hun oude schaal. Na de vervelling duurt het een tijdje voordat de nieuwe huid van een kreeft hard is geworden. Niet lang na de verschaling wordt er gepaard, wanneer het vrouwtje dan nog “zacht” is van de vervelling. De vrouwtjes kunne het hele jaar door eieren leggen, maar er zijn wel een paar piekperioden, waarin er meer eieren worden gelegd. Het hangt van het gebied af in welke periode ze de meeste eieren leggen. In enkele bestanden leggen de vrouwtjes 1 keer per jaar eieren, terwijl in andere zoals de Noordelijke bestanden bij de Faroer eilanden en bij Ijsland de vrouwtjes meestal twee keer per jaar kuit schieten. In het geval van jaarlijks kuitschieten, leggen de vrouwtjes meestal in augustus en september 150-5000 eitjes; De hoeveelheid eieren hangt af van de grootte van het vrouwtje : hoe groter de lengte van de carapace, hoe meer eieren ze legt. Deze eitjes blijven nog lang aan de pleopoden (gereduceerde pootjes aan de staart van de langoustines) van het vrouwtje zitten.

Wanneer komen de langoustines uit hun hol?

Langoustines worden vooral gevangen wanneer ze buiten hun hol zijn. Het grootste deel van de dag zitten ze echter in hun hol en komen er alleen uit om te eten, hun hol te onderhouden, hun territorium te bewaken en te paren. De duur dat ze buiten hun hol zijn op een dag varieert en hangt af van de lichtintensiteit. Analyse van vangst (en televisie) survey gegevens tonen aan dat de diepte van het water van groot belang is voor het uit hun hol komen van de langoustines. Bij ondiep water (<30meter) worden de meeste kreeften ’s nachts gevangen, en in heel diep water juist overdag. In middelmatig diep water (40-100 meter) komen de meeste langoustines uit hun hol bij zonsondergang en zonsopgang. De conclusie hieruit is dat de hoeveelheid licht dat door het water komt van groot belang is voor de activiteit van kreeften buiten hun hol. Deze lichtintensiteit hangt af van de diepte van het water, tijd van de dag en van het seizoen. Hoe ondieper het water is, hoe meer ze de neiging hebben om ’s nachts uit hun hol te komen, hoe dieper het water hoe meer langoustines er overdag uit hun hol komen. Hierdoor hangt het dus erg af van de plek en populatie op welk tijdstip de meeste langoustines uit hun hol zijn.

Globale aanlanding

De FAO (Food and Agricultural Organization) houdt de globale aanlandingen bij van onder andere langoustines. De hoeveelheid geregistreerde aanlandingen is van 9300 ton in 1950 toegenomen tot bijna 73000 ton in 2009, een toename met bijna 800 %. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het waarschijnlijk is dat het percentage registratie sinds 1950 ook toegenomen is.

Duurzaamheid

Qua duurzaamheid scoort de langoustinevisserij behoorlijk goed in de “Viswijzer”. De stock is goed, er zijn wat problemen met de teruggooi doch qua management wordt een inhaalbeweging gemaakt. Er wordt bijvoorbeeld aan de hand van aangepast vistuig aan de onvrijwillige bijvangst van schol en kabeljauw gewerkt. Qua biologie zijn er stijgende stocks ten gevolge van het lage kabeljauwbestand. Kabeljauw is een belangrijke predator van de langoustine.

Vangst

Traditioneel worden langoustines gevangen met lichte sleepnetten. Geen zware boomkorren die de bodem beroeren, maar plankenspannen (“ottertrawls”), die soms met twee (“twin rigs”), nu meestal met vier netten (“quad rigs”) worden getuigd. Dit licht tuig zorgt er voor dat minder motorvermogen nodig is dan de boomkorvisserij. Men herkent de plankenvissers door de nettentrommels achteraan het schip. De beste kwaliteit langoustines, die vaak levend verkocht worden op de markten van Barcelona of Milaan, worden gevangen door middel van pottenvisserij. In Nederland werd een project gestart voor de aanvoer van levende kreeft, warbij we hopen dat dit op termijn ok in België kan gebeuren.

© OOLAVIS 2012